Het schillenmodel van Bohr
Volgens Rutherford was iedere baan rond de, kern in principe mogelijk. Een leerling
van hem, Bohr, trok uit het lijnenspectrum van waterstof de conclusie dat niet
iedere baan is toegestaan.
Kort nadat hij in 1913 de formule van Balmer voor het eerst gezien had, kwam hij
met drie stellingen.
Een elektron kan alleen in stationaire banen (schillen) om de kern draaien.
Het atoom zendt geen straling uit als het elektron in zo'n schil ronddraait.
Als het atoom energie opneemt, gaat het elektron naar een buitenbaan: absorptie. Als het elektron 'terugvalt' naar een binnenbaan komt die energie weer vrij in
de vorm van straling: emissie.
Het verband tussen het energieverschil van die twee banen
en
de frequentie van de straling
, wordt gegeven
door:
Hoewel de formule van Planck in zijn derde stelling voorkomt, heeft Bohr zich
lang tegen de ideeën van Einstein over fotonen verzet.
Vergelijk het atoom met een wielerbaan in een stadion en de zitplaatsen er omheen.
De wielrenners kunnen op iedere hoogte hun rondje draaien (Rutherford), terwijl
de toeschouwers aan bepaalde hoogtes gebonden zijn (Bohr).
Het waterstofatoom volgens Bohr
Bohr kon niet uitleggen waarom dit de juiste stellingen waren, maar hij kon er
wel de energie mee berekenen van elektronen in hun banen om de waterstofkern (zie
de tabellen 21A en 22 van BINAS).
Voor de baan met nummer n leidde hij af:

Hierin is

=13,6 eV
-
hoort bij de grondtoestand.
Het elektron is dan zo dicht mogelijk bij de kern.
- Bij hogere waarden van n is
minder
sterk negatief en heeft het atoom dus energie opgenomen. Het is dan in een
aangeslagen toestand gekomen.
betekent dat er zoveel energie
is toegevoerd dat het elektron los is van de rest van het atoom. Het atoom
is dan geïoniseerd.
Om een elektron uit de binnenste baan van een H-atoom te verwijderen moetje
dus 13,6 eV toevoeren: de ionisatie-energie is 13,6 eV.
Omgekeerd komt 13,6 eV vrij als een waterstofkern een elektron vangt en in zijn binnenste baan opneemt.
Energieniveaus
De theorie van Bohr was een mengsel van onbegrepen stellingen
die in strijd waren met de klassieke natuurkunde en klassieke regels die toevallig
wel goed bruikbaar waren. Bohr was de eerste om deze bezwaren te zien. Zo was
het merkwaardig dat de waargenomen frequenties niets te maken hadden met het
toerental van het elektron in een toegestane baan. Steeds meer kwam men dan
ook tot de conclusie dat de klassieke regels niet bruikbaar waren. Alleen de
energietoestanden van het atoom bleken van belang te zijn en niet de banen.
Toen het idee van de banen werd verlaten, begon men trapschema's te gebruiken
om de energieniveaus van een atoom aan te geven.
In dit energieschema zijn twee schalen voor de energie gebruikt.
De negatieve
waarden met

= 0 eV volgen uit de theorie
van Bohr.
De positieve waarden met

=
0 eV zijn handiger om energieverschillen te berekenen (zie ook tabel 21 van BINAS).
Alle sprongen naar één niveau geven in het spectrum een familie van lijnen.
De balmerserie met
ontstaat bij de overgang van de niveaus

=
3, 4, 5, ...naar niveau 2.
Naast de Balmerserie zijn later de Lymanserie en de Paschenserie gevonden.